In de schappen van de Franse tijdsgeest

Je hoeft maar een kort weekend naar Parijs te gaan en je stuit al op een van de vele geïmproviseerde vlooienmarkten in een achterafwijkje.

Je hoeft maar een kort weekend naar Parijs te gaan en je stuit al op een van de vele geïmproviseerde vlooienmarkten in een achterafwijkje.

(DNP) Nostalgische Fransen kunnen niet aan de moderniteit ontsnappen. Dit bewijst de brocante.
Je hoeft maar een kort weekend naar Parijs te gaan en je stuit al op een van de vele geïmproviseerde vlooienmarkten in een achterafwijkje. Buurtbewoners stallen er hun oude meubels, langspeelplaten en glaswerk uit. Ze zitten zij-aan-zij met professionele verkopers van oude rommel die van markt naar markt in de Parijse hoofdstad trekken. Meer dan de helft van de Fransen gaat in zijn vrije tijd graag naar rommelmarktjes, en per jaar worden er zo’n vijftigduizend van georganiseerd.

Behalve de straatmarktjes worden tweedehands spullen ook verkocht in speciaal daarvoor ingerichte winkeltjes. Toeristen in Parijs verbazen zich vaak over het groot aantal rommelwinkeltjes dat zich buiten de straatmarktjes in leven weet te houden. Volgens cijfers van het Frans statistiekbureau Insee, bestaat er in Frankrijk een kleine duizend eenmanswinkels van nog geen twintig vierkante meter, waar tweedehands boeken, meubels en kunst worden verkocht.

Benjamin

De brocantes bestaan nog. Maar de winkeltjes zouden alleen kunnen overleven uit een nostalgisch verlangen naar de tijd dat het zoveel makkelijker was. Naar de tijd van de filosoof Walter Benjamin, die in de jaren 1930 gevlucht voor de Duitse anti-Joodse tijdsgeest zich in de Bibliotheek Richelieu, vlak naast het Louvre, terugtrok om zijn essays te schrijven. Benjamin schreef er ‘Paris, Hauptstad des 19. Jahrhunderts’ (Parijs, hoofdstad van de negentiende eeuw, 1935), een essay dat de overgang van een wereld met kunst en natuur naar de markteconomie beschrijft.

Die overgang beschreef Benjamin aan de hand van de overdekte passages, die de Franse koningen begin negentiende eeuw lieten bouwen, om centra te creëren waar de bloeiende textielindustrie haar waren kon verkopen aan flanerende Parijzenaren. In de tijd van Benjamin stond modernisering dus voor de technische ontwikkelingen die de industrieel in een met uit metalen geraamtes en steen opgetrokken overdekte winkelcentra haar waar liet verkopen. De kunst, natuur en openluchtmarkt, maakten plaats voor stalen constructies en standaardproducten.

Wist Benjamin dat tachtig jaar na het schrijven van zijn essay, juist deze passages symbool zouden staan voor de oude tijd, voor kunst en natuur en producten die de identiteit van een mens zouden versterken? Zou hij vermoeden dat de passages tegenhanger zouden worden van industrialisering en standaardisering?

Stof

Foto uit het paspoort van Walter Benjamin.

Foto uit het paspoort van Walter Benjamin.

De textielhandel verplaatste naar nog modernere panden, met grotere etalages. Nu huizen er in de passages antiekwinkeltjes die voor rommelmarktjes worden gehouden. Ze worden gezien als een leuk fossiel van de oude tijd van Benjamin. De glimmende tegelvloeren zijn versleten en ligt er stof op de boeken. Toeristen vragen zich hoofdschuddend af hoe de verkopers van prullaria er toch kunnen overleven.

Een Parijzenaar loopt aan de winkels voorbij, op weg naar de grote winkelcentra (nog groter dan de passages, vaak deels ondergronds en vergelijkbaar met het Utrechtse Hoog Catharijne) waarvan er in ieder Parijs’ arrondissement wel één staat. Een enkeling gaat, in pak gestoken, nog door de passages, een muffin etend van Le Pain Quotidien (een soort luxe Starbucks met grote leestafel).

Depressie

De Fransen publiceren graag onderzoeken over hun nationale depressie (Lees ‘Fransen bedroeft om verlies identiteit‘, DNP, 5 april). Die nationale depressie uit zich door een gebrek aan vertrouwen in de toekomst van Frankrijk. Zo zouden Fransen vrezen dat het voortbestaan van het goede zorgstelsel en onderwijs in het geding zijn.

De efgenamen van Napoleon en Charles de Gaulle hebben het minst vertrouwen in de toekomst van hun land dan welk ander Europees volk dan ook. Dit komt omdat ze vrezen voor de invloed van de Europese Unie op hun nationale economie, en voor de invloed van de globalisering op hun nationale cultuur. De antiekwinkels en boekenwinkels in de passages van Benjamin zijn typisch Parijs en typisch Frans. Heeft iemand zich al afgevraagd of een rondgang door deze winkeltjes de Fransen uit hun nationale depressie kan halen?

Ikea

De Gallerie Vivienne, vlakbij het Louvre. Walter Benjamin maakte er zijn middag wandelingen. Het is een winkelcentrum voor nostalgie.

De Gallerie Vivienne, vlakbij het Louvre. Walter Benjamin maakte er zijn middag wandelingen. Het is een winkelcentrum voor nostalgie.

“Mensen gaan liever naar Ikea. Daar hebben ze gestandaardiseerde producten. Ikea staat voor kwaliteit. Bovendien zijn veel Fransen bang voor de reactie van hun vrienden als ze een meubel kopen dat niemand kent.”, zegt de eigenaar van een Parijs antiekzaakje me. De Parijzenaar is bang om uitgelachen te worden na het kopen van een oude tafel of schilderijtje.

Schaamte, kennelijk hoort het ook bij de nationale depressie.

De omzet van Ikea in Frankrijk bedroeg in het jaar 2011-2012 2,49 miljard euro. Ondanks de crisis lag dit 3,2% hoger dan het jaar ervoor. En het bedrag ligt vele malen hoger dan de geschatte honderd à tweehonderd miljoen die de duizend oude Franse eenmanszaakjes bij elkaar sprokkelen.

Nostalgie

Vooralsnog zweren de Fransen het heden af, en zijn ze niet in staat om terug te keren naar het verleden.

En toch (juist om de schaamte te overwinnen) is het niet tijd dat de Fransman in zijn verlangen naar verleden en traditie, nostalgisch terugkeert naar de oude winkelpassages: een paar antieke vaasjes koopt of glaswerk uit de vorige eeuw? Filosoof Régis Debray schreef in een onlangs gepubliceerd essay (‘Le bel âge’ [De mooie leeftijd, of, vrij vertaald: De gouden eeuw], Uitg. Flammarion, 2013) dat de Fransen op moeten houden jong en oud, verleden en heden, van elkaar te blijven onderscheiden. Het is tijd voor nostalgie: het putten van inspiratie uit het verleden, om een hergeboorte door te maken. De oude ideologieën, en de oude cultuur zouden de Fransen van vandaag kunnen helpen vooruit te komen. Net als dat kunstenaars en intellectuelen in de Renaissance, de Europese cultuur lieten herbloeien door de oude Romeinen en Grieken te bestuderen.

Vooralsnog zweren de Fransen het heden af, en zijn ze niet in staat om terug te keren naar het verleden. Terwijl de Fransen terug willen naar het oude Frankrijk, en af willen van de vrije markt, slagen ze er niet in de zegeningen van makkelijke standaardproducten af te zweren. 

De brocante in de rue des Guillemites

De brocante in de rue des Guillemites

Door expertise en grootschaligheid, zou de brocante geen brocante meer zijn. 

De brocante (Frans voor vlooienmarkt of vlooienwinkel), het is de vlo van Parijs, klein en verspreid over de stad. Vaak een beetje viezig. “Sinds tien twintig jaar zijn de meeste brocantes uit Parijs verdwenen.”, zegt Marcel Lederman. Hij begon ruim veertig jaar geleden een rommelwinkeltje in de hippe Parijse wijk Le Marais. Zijn vrouw hield van pottenbakken en knutselen. En om geld te verdienen zonder te veel van de hobby op te geven, besloten de Ledermans hun winkel aan de Rue des Guillemites op te zetten.

De winkel staat tussen de Parijse homobars, en niet ver van stand-up-comedyclub Point Virgule. Een straat verderop geuren joodse banketbankers, en falafel zaken, die al eeuwen goed bezocht worden. Maar naar de brocantes komen de Parijzenaren niet meer. Toeristen die de Marais bezoeken gaan liever naar luxe modeboutiques als die van Simonne & Lisa B. aan de Rue de Poitou, of het wat beter betaalbare Cos aan de Rue des Rosiers. Ze lopen langs kunstgaleries of gaan winkels binnen waar luxe zeepjes verkocht worden.

Identiteit

Je hebt zo’n gek doek gekocht!

Lederman verkoopt glaswerk en antieke meubels. De muur van zijn hoge pand hangt vol met schilderijen.

Klassieke stillevens. Een engelachtige baby zit voor een vaas bloemen. Een koe staat in een grijs landschap. Daaronder staan zware antieke kasten van glimmend donkerbruin hout.

Volgens Lederman zijn het geen standaardspullen die hij verkoopt. Iedere aankoop is er een waarmee de koper uiting geeft aan zijn persoonlijkheid. En juist doordat zijn spullen zo uniek zijn kan hij ze steeds minder goed kwijt.

“Je hebt zo’n gek doek gekocht!”, imiteert Lederman de verwachte reactie van een vriend van de koper van een doek. En hij maakt een zwaai met zijn arm naar de doeken aan de wand van zijn winkel. “Als je een schilderij koopt waar je je goed bij voelt, terwijl je vrienden en familie het niet mooi vinden, dan gaan ze grappen maken. Veel liefhebbers van doeken zijn dus bang voor de mening van anderen.”

Desinteresse

Ils sont tous morts [Ze zijn allemaal dood] – Marcel Lederman, brocante te Parijs

“Ils sont tous morts.” Volgens Lederman zijn de afgelopen tien, twintig jaar de meeste brocantes van Parijs verdwenen. De enigen die overleven zijn die in centra, zoals het Village Saint-Paul, ten zuiden van de Marais, waar op de oude binnenplaats van een klooster dagelijks de laatste rommelmarktjes van Parijs worden gehouden. Of de Marché aux Puces (letterlijk ‘vlooienmarkt’) in Saint-Ouen, een voorstad ten noorden van Parijs. Op deze markt staan oude barakken met golfplaten daken, te midden van verkopers van Afrikaanse gewaden, tweedehands iPhones en telefoonfrontjes.

En dan zijn er nog tientallen winkeltjes verspreid over de Franse hoofdstad. “De rest is weg.”, zegt Lederman. “Toen mijn vrouw en ik begonnen waren er drie, vier keer zoveel winkels voor tweedehands meubels en schilderijen. De Parijzenaren kochten hun inrichting bij de brocante. Nu is alles verdwenen.”

De reden van de neergang van de vlooienwinkels? “Desinteresse.”, zegt Lederman. Mensen interesseren zich niet meer voor antieke meubels of oud glaswerk. “Fransen gaan tegenwoordig gewoon naar de Ikea. Die winkel staat voor een modern idee, van hoe-te-leven, hoe-te-zijn. Net als bij schilderijen, geeft Ikea een standaardbeeld van waarde en schoonheid tegenover familie en vrienden.”

Zijn identiteit en kunst, ingeruild voor technische vooruitgang en standaardisering?

Marktplaats

Deyrolle. Foto: Willem van Ewijk.

Deyrolle. Foto: Willem van Ewijk.

De hogere segmenten kunnen het zich nog veroorloven om aan de standaardisering van Ikea te ontsnappen. Van Dubaï tot Parijs worden grote beurzen georganiseerd waar mensen van over de hele wereld hun kunst en antiek kopen en verkopen. Vermogende Fransen investeren hun geld in unieke producten met identiteit. De kunst en antiek zijn waardevast, al helemaal wanneer ze door een expert zijn getaxeerd.

In de lagere segmenten is de liefdesdans voor tweedehands spullen verplaatst naar het internet. Met 17 miljoen hits per maand krijgt Leboncoin.fr, het Franse Marktplaats.nl, meer bezoek dan Dailymotion (het Franse YouTube) en Yahoo. In mei stonden er anderhalf miljoen advertenties voor meubels en huisraad op de website. De site bestaat sinds 2006 en is een dochterbedrijf van het Zweedse Blocket.se, dat tien jaar langer bestaat. Leboncoin.fr is dus opgericht ruim na de grote aftocht van de brocantes van tien, twintig jaar geleden. Maar er wordt genoeg verkocht om te denken dat de Franse markt voor tweedehands spullen zeker niet ten gronde is.

Het kopen van oude spullen heeft echter niet veel met behoefte aan kunst en eigenheid te maken.

Volgens de Franse zakenkrant Les Echos komt het succes van Leboncoin.fr door de economische crisis. De koopkracht van de Fransen is het afgelopen jaar met 1% teruggelopen. De grootste daling in een generatie. Waar de Fransen minder inkomsten hebben, moeten ze bezuinigen. Uit een onderzoek van forenzen krant Metro (juli, 2012) bleek dat Fransen minder op vakantie gaan, en hun geld liever uitgeven aan de inrichting van het huis. Volgens zakenkrant Les Echos zou bij de bezuinigingen steeds vaker voor tweedehands producten worden gekozen. Op het eerste gezicht is dit een gouden combinatie voor de markt van tweedehands meubels, glaswerk en schilderijen, zoals de winkel van Lederman. Maar door zijn beperkte aanbod en openingstijden heeft de brocante het nakijken.

Zoektocht

Door de expertise van kunst- en antiekbeurzen, en het schaalvoordeel van Leboncoinf.fr, zou de brocante geen brocante meer zijn. Mensen kunnen door zijn winkel struinen en dat langverwachte, eerst onvindbare, product vinden. Het is een zoektocht naar het onbekende en de verrassing van het vinden die een brocante in romantische zin zo aantrekkelijk maken, maar die hem commercieel in de weg zitten.

“Het is geen vetpot. Maar ik kan rondkomen.”, zegt Lederman. In 2011 verdienden de brocantes en antiquairs bruto het minst van alle Franse winkeliers: zo’n 32 000 euro gemiddeld per jaar. Dit is te vergelijken met het inkomen van een Franse schoenmaker en iets minder dan twee keer het minimum loon. Vergeleken met bakkers en slagers is het wat weinig. Deze verdienen zo’n 49 000 euro bruto per jaar.

Lederman is sinds anderhalf jaar weduwnaar. Zijn vrouw met wie hij de winkel begon is overleden, vertelt hij me beteuterd. Maar de man van zeventig klaagt niet, gaat rond een uur of drie ’s middags pas open en heeft geen website of telefoonlijn.

Het ligt voor de hand om te zeggen dat het verhaal en het romantische zoeken overwonnen worden door de commercie, gemakzucht en winstmaximalisatie. Maar is die tegenstelling tussen identiteit en originele producten enerzijds en commercie en standaardisering anderzijds wel zo juist? Is het niet de brocante zelf die gemakzucht kan worden verweten? 

Deyrolle

Deyrolle

Een winkel vol torren staat symbool voor het Franse platteland, de Franse glorie van weleer en duurzame ontwikkeling. 

Na het aanhoren van het verhaal over de neergang van de vlooienmarkt ligt het voor de hand om te stellen dat consumptie van kunst en identiteit definitief zal worden vervangen door commercie en gemakzucht. Maar als dat zo is, hoe kan een winkel met opgezette dieren en overzichtskaarten van het boerderijleven dan overleven?

Botanische tuin

Francine Campa (‘algemeen directeur’ van Deyrolle) knikt bevestigend als ik haar pand aan de chique rue du Bac (midden in de wijk Saint-Germain des Prés) beschrijf als een botanische dierentuin. Waar een botanische tuin van iedere planten- boom, kruid- en bloemsoort vele varianten in een perkje heeft, zo heeft Deyrolle een uitgebreide verzameling met soorten torren, vlinders, een aantal struisvogels, hertjes, een zebra en een grizzlybeer in de winkel staan.

Deyrolle is meer dan een rariteitenkabinet, en ligt in de Franse markt ergens tussen de kunst- en antiekbeurs, en de brocante (vlooienwinkel) in.

“We zijn gesticht in 1831. Het was een periode dat de Fransen zich openden naar de wereld. Frankrijk zag het als een soort van nationale missie om de wereld de diversiteit van de natuur te laten zien.”

Deyrolle sorteert al haar dieren en schrijft de herkomst op minuscule handgeschreven etiketten. De onderdirecteur ter plaatse werkte eerder als conservator voor het nationaal natuurmuseum (beheerder van de Parijse Jardin des Plantes).

Campa: “Soms bellen mensen op en vragen ze of het museum open is vandaag. Ze denken dat we een gratis museum zijn. Dat is niet erg, we laten ze graag rondkijken.”

Pedagogie

IMG_2186

Onderdeel van de missie van Deyrolle is pedagogie. Mijn bezoek aan de winkel begon in de donkere gangen van het appartementsgebouw waarin de winkel gevestigd is. In een vochtige kelder zette Francine Campa twee koppen koffie en ik maakte van de tijd gebruik om op sombere houten planken de negentiende eeuwse affiches te bekijken. ‘Dieren uit Afrika’, ‘het leven op de boerderij’, ze kwamen me bekend voor. Het zijn de affiches waarmee kinderen van over de hele wereld leerden de chimpansee te onderscheiden van de gorilla en het onderscheid tussen zoogdieren en reptielen te maken.

“Het kan goed dat u ze ook nog op uw basisschool heeft gezien.”, zegt Campa als ze ziet dat ik aan de platen friemel. “We kregen laatst nog telefoon uit Australië. Van een school die een affiche van Deyrolle aan de muur had hangen. ‘Of we nog bestonden’.”, en Campa glundert terwijl ze mij een kop koffie geeft en we over de trappen van het herenhuis naar de winkelruimte lopen.

Neergang

Eeuwenoude kennis en expertise wist hij te verkopen als originele luxeproducten.

Het verhaal over eigenaar Louis Albert de Broglie leest als een jongensboek. De Broglie is een zakenman die een carrière in de financiële sector opgaf om biodiversiteit te beschermen en de bewondering voor de natuur weer nieuw leven in te blazen.

In 2001 kocht De Broglie Deyrolle. Volgens Francine Campa was Deyrolle op dat moment ‘een soort grot van Ali Baba’. Alles werd er verkocht zonder orde, en zonder kennis van zaken. Deyrolle was toen niet veel anders dan een rariteitenkabinet of een winkel zoals die van Marcel Lederman aan de rue des Guillemites (Lees het tweede deel van deze serie, DNP, 24 juni).

De overname van De Broglie was nodig. Nadat, volgend op de Tweede-Wereldoorlog, de markt voor opgezette dieren instortte, gingen de zaken ook voor Deyrolle steeds slechter. De pedagogische traditie, meer dan een eeuw oud, werd opgegeven, de affiches niet meer gedrukt. En Deyrolle schikte zich in de rij van verdwaalde Parijse rariteitenkabinetten, waar opgezette dieren worden verkocht en door hun curieuse aanbod maar moeilijk omzet maken.

Wederopstanding

Toen De Broglie de winkel in 2000 kocht maakte Deyrolle alleen maar verlies. Geen bank wilde de winkel geld lenen. Nu groeit de omzet met ruim tien procent per jaar.

De Broglie deed wat de andere rommelmarktjes en rariteitenkabinetten niet deden. Deyrolle werd geherstructureerd en ging weer onderwijsaffiches drukken. Er werden specialisten en biologen aangenomen. Die hielden zich bezig met het ordenen van de zebra’s en torren.

Tegelijkertijd ging Deyrolle zich meer op decoratie richten. De Broglie liet behang ontwikkelen met afbeeldingen van papegaaien, planten en andere natuurverschijnselen erop. En kalenders waar de oude negentiende eeuwse prenten van Deyrolle werden afgebeeld. Kortom, De Broglie verkocht de nostalgische gevoelens van de Fransen in hoogwaardige producten.

De eeuwenoude kennis en expertise wist hij te verkopen als originele luxeproducten.

Behouden

IMG_2183

Francine Campa legt uit dat Deyrolle sinds de aankoop door De Broglie weer voor een typisch Frans verhaal staat. Was het vanaf de Verlichting het doel van de Fransen om het volk te onderwijzen over de wonderen van de natuur, nu willen de Fransen hun cultuur, plattelandsleven behouden.

De hervormingen van Deyrolle passen binnen de activiteiten waarmee De Broglie, naar eigen zeggen, het erfgoed van de Franse natuur wil redden. Zo legde De Broglie een tuin aan bij zijn château-hotel de la bourdaisière in La Tourraine (de streek rond Tours, in de Loire vallei) waar 630 tomatensoorten worden verbouwd. Ook stichtte hij microfermes (microboerderijen), zelfvoorzienende kleine boerderijtjes (met akkerbouw en wat vee) die op duizend vierkante meter zo’n dertigduizend euro per jaar opbrengen.

De initiatieven van De Broglie bevorderen niet alleen de biodiversiteit. Francine Campa geeft toe dat het opzetten van de microfermes verwijst naar de kleine boer, en het Franse plattelandsleven van weleer. Net als de schoolaffiches die uitleg geven over ‘het leven op de boerderij’.

Deyrolle en De Broglie koppelen hun luxe decoratieve producten aan een verhaal van het Franse platteland, de Franse glorie van weleer, aan duurzame ontwikkeling en natuurbehoud.

Frankrijk

Deyrolle

Deyrolle

Niet iedereen is in staat om de opgezette dieren en het mooie behang te kopen. Laat staan om van de biologische producten van de microfermes te genieten. Zo worden de ruim zeshonderd tomatensoorten geserveerd in de tuin van het château-hotel van De Broglie.

Deze serie artikelen begon ik met de vraag of de Fransen in staat zijn in hun consumptie uiting te geven aan hun identiteit, in plaats van zich over te moeten geven aan standaard producten. In de eerste twee artikelen van deze serie bleek dat vooral de hogere segmenten hiertoe in staat zijn, en de midden- en lage segmenten gedwongen zijn mee te gaan in de culturele eenwording van Ikea. En dus besluit ik Campa een provocerende vraag te stellen.

“Is het niet heel elitair?”

“Helemaal niet!”, antwoordt ze. Alle activiteiten van De Broglie zijn toegankelijk voor een groot publiek. Ook de winkel Deyrolle. Sommige producten kosten twee euro, andere 40 000 euro. Voor ieder wat wils dus.”

“Het publiek is heel divers: u ziet families, grootouders met kleinkinderen, ze kwamen zelf ook met hun grootouders uit heel het land, uit heel Frankrijk.”

Terwijl ik foto’s neem van de beer en de zebra spreekt Francine Campa door. Over Salvador Dali die in Deyrolle kwam om inspiratie op te doen voor zijn surrealistische tekeningen. Over Woody Allen die er een scène van de film ‘Midnight in Paris’ opnam. André Breton, de grondlegger van het surrealisme, studenten van de kunstacademie, allen kwamen inspiratie op doen in Deyrolle, de winkel die de typische Franse ‘savoir faire’ combineert met kennis van de natuur en van dieren uit vervlogen tijden en verre landen.

Alleen door compromisloze nostalgie kunnen de Fransen uit hun nationale depressie komen.

Aanleiding voor dit artikel waren de berichten over een Franse nationale depressie. Deze depressie houdt in dat Fransen, meer dan welk Europees volk dan ook, een gebrek aan vertrouwen hebben in de toekomst van hun land. Fransen vrezen voor de invloed van de Europese Unie op hun nationale economie, en voor de invloed van de globalisering op hun nationale cultuur.

Nostalgie zou hiervoor het medicijn kunnen zijn. Volgens filosoof Régis Debray is nostalgie ‘het putten van inspiratie uit het verleden, om een hergeboorte door te maken.’ De oude ideologieën, en de oude cultuur zouden de Fransen van vandaag kunnen helpen moderniseren. Net als dat kunstenaars en intellectuelen in de Renaissance, de Europese cultuur lieten herbloeien door de oude Romeinen en Grieken te bestuderen.

Deyrolle paste deze nostalgische maatregel toe. De winkel overleefde door de oude pedagogische taak van natuuronderwijs in een jasje van luxe interieurproducten te steken die bovendien een typisch Frans verhaal vertellen. Kleine brocantes (vlooienwinkels), die hier de middelen niet toe hebben, zullen het door schaalnadelen en gebrek aan expertise, af moeten leggen tegen de standaardisering van Ikea.

Hobby

“Het maken van een icoon is als de loop van je leven.”

Pas je de nostalgie niet toe, dan zul je het niveau van hobbyist nooit overstijgen.

Zoals brocante Marcel Lederman, die met zijn pottenbakkende vrouw in de jaren zeventig hobby en commerciële activiteit probeerde te combineren en die steeds minder klanten trekt met de verkoop van oude meubels, glaswerk en schilderijen.

Dat is niet erg. Er zijn Parijzenaren die hun ambacht zelfs gratis uitvoeren. In Atelier Saint-Luc aan de boulevard Arago, niet ver van het Quartier Latin, beschildert een zevental mannen iedere woensdag klassieke christelijke iconen.

In het echte leven zijn ze administratief medewerker, klerk en bankbediende. “We zijn wel katholiek. Maar we gaan niet iedere zondag naar de kerk.”, zegt Pascal, woordvoerder van het atelier. “Het tekenen van een icoon duurt lang. Je moet heel veel geduld hebben en goed weten welke kleurlaag eerst komt. Hoe je je kwast vasthoudt. Al dat soort dingen.”

“Het maken van een icoon is als de loop van je leven.”

“Het is niet alleen esthetisch, niet alleen een mooie tekening maken, maar je wil je leven en je icoon met geduld en precisie opbouwen.”

Pascal legt me uit dat het maken van de iconen voor de zeven mannen een vorm van meditatie is. En de iconen? Die geven ze uiteindelijk weg aan vrienden en familie. Ze verkopen ze niet.

“Daar is geen markt voor.”, zegt Pascal.

Eenheidsworst

Foto door Willem van Ewijk.

Foto door Willem van Ewijk.

Uiting geven aan je identiteit is een luxe. Maar net als Ikea dat doet voor de midden- en lagere segmenten, zorgt de luxemarkt voor eenheidsworst in de hogere segmenten.

Dezelfde kunst- en antiekbeurzen worden gehouden van Dubaï tot in Parijs, en Deyrolle verkoopt zijn Franse affiches tot in Australië. Alleen de gemeenschap van vermogenden kan zich unieke producten met eigenheid veroorloven. Maar deze gemeenschap is steeds internationaler.

Uit onderzoeken naar de nationale depressie blijkt dat deze Fransen, die voor de vrije markt en Europese eenwording zijn geen last hebben van de depressie. Zij zoeken dan ook niet naar het uiten van de Franse identiteit. Ze zoeken eerder naar een bewijs van hun welvarendheid en het zoeken van duurzame producten.

En zo wordt dezelfde antiek en kunst niet alleen gekocht door de Franse elite, maar door de wereldelite, die daarmee een gezamenlijke identiteit creëert.

Nostalgie

Ze kunnen zich geen identiteit veroorloven.

Het zijn de Fransen die zich bedreigd voelen door de vrije markt en globalisering, de tegenstanders van Europa en van de vrije markt, die zoeken naar een Franse identiteit. Deze mensen vind je vooral in de lagere segmenten. En juist zij hebben geen andere keus dan naar Ikea te gaan, of op Leboncoinf.fr (het Franse Marktplaats) te zoeken naar koopjes.

Ze kunnen zich geen identiteit veroorloven.

Het is moeilijk voor te stellen dat als ze de rommelmarktjes af gaan struinen, of als ze dat ene product van maar twee euro bij Deyrolle kopen, een nostalgische hergeboorte zullen voelen. Een alternatief zou zijn dat Ikea producten met de typisch Franse ‘savoir faire’ gaat verkopen. Maar dan zou het Zweedse Ikea geen Ikea meer zijn. Blijft over dat de verloren gedprimeerde Fransen meegaan in de economische voorspoed, zich bij de wereldelite aansluiten en met hen mee de kunst- en antiekbeurzen afstruinen.

Of dat ze zich aansluiten bij een van de vele subculturen in de roerige voorsteden van Marseille of Parijs.

WILLEM VAN EWIJK